BERGINGS- EN IDENTIFICATIE DIENST (BID)


Koninklijke Landmacht

"VERMIST IS ERGER DAN DOOD"



Gesneuvelde militairen bergen.........een dagtaak?
De Tweede Wereldoorlog is al tientallen jaren voorbij.
Toch heeft een klein onderdeel van de Koninklijke Landmacht er nog dagelijks handenvol werk aan.
Regelmatig krijgt de Bergings- en Identificatie Dienst (BID) melding van de vondst van zogenaamde "veldgraven".
Daarnaast bevinden zich in de Nederlandse bodem nog ettelijke honderden vliegtuigwrakken, waarvan de bemanning nog steeds als vermist te boek staat. Regelmatig assisteert de BID bij de berging van deze wrakken.

Na de Tweede Wereldoorlog begonnen de autoriteiten direct met het onderbrengen van alle bekende graven van omgekomen militairen op erevelden. De locatie van veel veldgraven was echter toen al niet meer bekend. In het heetst van de strijd was er meestal geen gelegenheid om de plaatsen van de haastig gedolven graven duidelijk te markeren. Zo gebeurt het nog steeds dat aanleg van nieuwe wegen, het uitbaggeren van sloten, het omploegen of bouwrijp maken van grond, leidt tot het vinden van onbekende veldgraven. Regelmatig krijgt de BID/KL dan ook het verzoek om de hierin aanwezige stoffelijke resten te bergen.

Grondslag.
Het werk van de Bergings-en Identificatie Dienst vindt zijn grondslag in artikel 17 van de conventie van GenŤve van 27 juli 1929:

"Zij (de oorlogvoerenden) zullen er voor zorgen, dat zij (de gesneuvelden) eervol begraven worden; dat hun graven worden ontzien en deze altijd kunnen worden teruggevonden. Tot dat doel zullen zij aan het begin der vijandelijkheden van overheidswege een dienst voor de graven organiseren, teneinde eventuele opgravingen mogelijk temaken en de identificatie der lijken te verzekeren, welke ook de achtereenvolgende ligging der graven mogen zijn. Onmiddellijk na het einde der vijandelijkheden zullen zij lijsten der graven en die der in hun begraafplaatsen en elders begraven doden uitwisselen."

Tussen 1945 en 1952 zorgde de Dienst Identificatie en Berging (D.I.B.) ervoor dat Nederland zijn verplichtingen ten aanzien van omgekomen militairen vervulde. De dienst had voornamelijk een vredestaak. Zij bracht de verspreid liggende graven van geallieerden, van de in concentratiekampen omgekomen burgers en van Duitse gesneuvelden onder op aparte begraafplaatsen.

Nadat de D.I.B. was opgeheven formeerde het toenmalige Ministerie van Oorlog een gravendienst organisatie en bracht die, naar Amerikaans voorbeeld, onder bij de Intendancetroepen. Het takenpakket van deze Gravendienst was uitgebreider dan dat van zijn voorganger.
De nieuwe dienst moest, in tegenstelling tot de D.I.B., volledig op een oorlogstaak berekend zijn en beschikte dan ook over parate en mobilisabele gravendiensteenheden.

Erevelden.
Tot halverwege de jaren '60 heeft de Gravendienst zich voornamelijk bezig gehouden met het inrichten van militaire erevelden. In 1967 voltooide de dienst een laatste oorlogskerkhof voor 7.000 Duitse gesneuvelde militairen bij Ysselsteyn in Limburg. Daarna kreeg het personeel in het kader van zijn praktische opleiding voornamelijk taken bij het ruimen van civiele begraafplaatsen. Tot 1972 hebben de medewerkers zo'n 23.000 burgergraven geruimd of verplaatst.

In 1972 volgde de opheffing van de parate Gravendienst. De oorlogstaken van de dienst werden overgeheveld naar mobilisabele eenheden. Twee onderofficieren- gravendienst- specialist bleven over. Zij kregen vanaf 1972 de taak het mobilisabel personeel te trainen en voor te bereiden op hun oorlogstaak. Daarnaast hoorde het ruimen van verspreid liggende veldgraven en het bergen en identificeren van vliegtuigbemanningen tot hun takenpakket.

Vooral boven het IJsselmeer zijn in de Tweede Wereldoorlog veel geallieerde toestellen neergestort. Het inpolderen van delen van het IJsselmeer brengt veel toestellen met hun bemanningen letterlijk weer boven water.

In 1992 werd de Gravendienst gereorganiseerd. Er vond een soort tweedeling plaats. De Instructiegroep Gravendienst van het Opleidingscentrum Intendance verzorgde de opleidingen van mobilisabel Gravendienstpersoneel. De berging en identificatie van stoffelijke resten werd een taak van de Identificatiegroep Nationaal Territoriaal Commando.

In 1995 gingen beide groepen op in de huidige Bergings-en Identificatie Dienst (BID). Deze dienst, die uitbreiding kreeg tot een officier en drie onderofficieren identificatiespecialisten, ging deel uitmaken van het Explosieven Opruimings Commando Koninklijke Landmacht. In 1998 resulteerde een verdere reorganisatie uiteindelijk in het onderbrengen van de BID op het Opleidingscentrum Logistiek (OCLOG) te Bussum en vervolgens werd in 2000 de BID verder gereorganiseerd en werd de sterkte teruggebracht tot een officier en twee onderofficieren.

Onzekerheid.
Als militairen sneuvelen betekent dit voor familieleden een groot verlies en veel verdriet. Als ze echter vermist raken tijdens schermutselingen, blijven de nabestaanden met een ondraaglijke onzekerheid zitten. "Vermist is erger dan dood" zegt vrijwel iedereen die zo'n situatie heeft meegemaakt. De medewerkers van de BID stellen daarom alles in het werk om de identiteit te achterhalen van iedere gesneuvelde die in een veldgraf wordt teruggevonden. Ze weten zich daarbij volledig gesteund door de nabestaanden van deze vermisten.

Die nabestaanden tonen zich altijd zeer verheugd als zij de privť-eigendommen van de gesneuvelde terugkrijgen. Vaak vormen deze persoonlijke bezittingen de enige tastbare herinnering aan een verloren echtgenoot, broer of zoon. Daarom ook doet de BID een dringend beroep op vinders van veldgraven om daaruit vooral niets weg te nemen om een eventuele privť-collectie te verrijken. Het zich toe-eigenen van "oorlogssouvenirs" betekent vaak dat mensen dierbare herinneringen, die hen toekomen, mislopen. Daarnaast vraagt de BID met klem de mensen die de overblijfselen van een onbekend militair hebben aangetroffen, om alstublieft niet over te gaan tot het verder omwoelen van het graf. Door het zogeheten 'roeren' van het graf kunnen veel waardevolle gegevens over de identiteit van het slachtoffer verloren gaan. Degene die stoffelijke resten aantreft is altijd verplicht hiervan melding te doen bij de lokale politie.



Prikijzers.
Wanneer de BID een verzoek krijgt om een vermoedelijk veldgraf te onder≠zoeken, gaan de deskundigen met een speciale uitrusting op verkenning. Met verschillende metaaldetectors en met prikijzers onderzoeken ze eerst de ligging van het graf. Daarna leggen ze het graf op een archeologische wijze bloot. Is eenmaal vastgesteld dat de inhoud zonder gevaar te bergen is, volgt exhumatie.

Exhumeren is het opgraven van menselijke stoffelijke resten. Worden er echter tijdens de opgraving explosieven aangetroffen, dan leggen de specialisten het werk neer en schakelen het Explosieven Opruimings Commando in. De munitie die in veldgraven aangetroffen wordt kan namelijk levensgevaarlijk zijn. Na de berging brengen de specialisten de stoffelijke resten over naar het laboratorium van de BID in Bussum. Daar voeren zij het identifi≠catieonderzoek uit.

Allereerst ontsmetten ze de gevonden resten. Dan bekijken ze de kenmerken van het gevonden materiaal. Beenderen geven veel informatie over leeftijd, lichaamsbouw, lengte en dergelijke. De medewerkers van de BID beschikken dan ook over een gedegen anatomische kennis.

Ook de gevonden uitrustingsstukken en persoonlijke bezittingen spelen een belangrijke rol bij het vaststellen van de identiteit van de aangetroffen militair. Uiteindelijk doel van al dit onderzoek is te komen tot een definitieve identificatie. Bij voorkeur gebeurt dit aan de hand van een gevonden herkenningsplaatje of een opgemaakte gebitsstatus. In deze eeuw zijn miljoenen gebitskaarten opgemaakt. Daardoor is identificatie aan de hand van de gebitsstatus zeer betrouwbaar en doeltreffend.

Wanneer zowel het herkenningsplaatje als de essentiŽle delen van het gebit ontbreken, dan moet de onderzoeker zijn toevlucht nemen tot andere identificatiemethoden.

Een voorbeeld daarvan is de toepassing van de zogenaamde "schedelprojectie". Iedere schedel heeft zijn eigen unieke vorm. Als er een foto van het vermoedelijke slachtoffer beschikbaar is, kan een daarvan gemaakte transparant worden geprojecteerd over een transparante opname van de schedel. Als nu specifieke contouren van zowel gezicht als schedel met elkaar corresponderen, is met zekerheid vast te stellen dat deze schedel aan het slachtoffer toebehoorde.

Ook DNA onderzoek wordt steeds vaker gebruikt in het identificatieonderzoek. Daarnaast is via historisch onderzoek, zoals het uitpluizen van oorlogsdagboeken, ooggetuigenverslagen en andere documentatie, vast te stellen onder welke omstandigheden een militair vermist moet zijn geraakt.

De BID beschikt dan ook over een uitgebreid archief, waarin onder andere "vermistenlijsten" zijn opgenomen.

Achterhalen.
In heel veel gevallen slagen de mensen van de BID er in de identiteit van gevonden stoffelijke resten te achterhalen. Ze werken daarbij samen met andere organisaties zoals de Oorlogsgravenstichting, de Commonwealth Wargraves Commission, de Deutsche KriegsgršberfŁrsorge en de US Army Mortuary Affairs.

Via deze instanties kan de BID ook in het bezit komen van lijsten van vermisten alsmede van gegevens uit archieven. Instellingen zoals het Rode Kruis helpen eveneens mee om tot de identificatie van vermiste militairen te komen.

Wanneer de specialist van de BID de identificatie heeft afgerond, worden de stoffelijke resten doorgaans op een van de erevelden in Nederland begraven. Zo krijgen gesneuvelde Britten meestal een graf op een Brits ereveld (War Graves Cemeteries). Nederlandse militairen vinden een laatste rustplaats op de Grebbeberg en Loenen, Amerikanen in Margraten en Duitse militairen op de begraafplaats te Ysselsteyn. In enkele gevallen gaan de stoffelijke resten terug naar het land van herkomst van de gesneuvelde. De betrokken autoriteiten stellen alles in het werk om bij een herbegrafenis, waar deze ook plaatsvindt, eventuele nabestaanden daarvan getuige te laten zijn.

Assistentie.
Sinds 1992 vragen zowel Politie als Justitie steeds vaker assistentie van de BID bij zoekacties naar vermiste personen, als het vermoeden bestaat dat deze door een onnatuurlijke oorzaak om het leven zijn gekomen. De Belgische zaak "Dutroux" is daarvan het meest bekende voorbeeld. Het lokaliseren van een stoffelijk overschot vereist specialistische vaardigheden.

Het juist kunnen interpreteren van terreinfactoren, begroeiing en bodemlagen is daarbij onontbeerlijk. In 1993 verzochten de Verenigde Naties de BID om te assisteren bij een onderzoek naar de aanwezigheid van massagraven in het voormalige JoegoslaviŽ. Dit onderzoek moest plaatsvinden om bewijs voor gepleegde oorlogsmisdaden te verkrijgen, teneinde de schuldigen hieraan bij het JoegoslaviŽ-tribunaal in Den Haag te berechten. Bij deze actie ontdekte de BID inderdaad graven van zowel burgers als militairen.

Wat moet u doen als u een graf vindt?
Iedereen die op een mogelijk veldgraf stuit, moet er vooral afblijven. Vaak zijn er besmettelijke bacteriŽn op een stoffelijk overschot te vinden. Bovendien kunnen er nog gevaarlijke explosieven in het graf aanwezig zijn. Markeer de vindplaats en dek zo mogelijk de stoffelijke resten weer af. Zo blijven voor het identificatieonderzoek belangrijke gegevens bewaard. Stel daarna zo spoedig mogelijk de lokale politie in kennis. Degene die een veldgraf op militair terrein vindt, kan hiervan melding maken bij de Koninklijke Marechaussee. Politie en Marechaussee zorgen ervoor dat de BID/KL op de hoogte wordt gebracht. Deze komt dan direct in actie, zodat het graf niet onbeheerd blijft liggen.

Meer weten over de Bergings- en Identificatie Dienst (BID)?
Schrijf of bel naar:

BERGINGS- EN IDENTIFICATIE DIENST
KONINKLIJKE LANDMACHT
OPLEIDINGSCENTRUM LOGISTIEK
KOLONEL PALMKAZERNE
M PC 55C
POSTBUS 382
1400 AJ BUSSUM


telefoon: Bussum (31) 035-6978436
fax: Bussum(31) 035-6978481

Tekst afkomstig van de informatiefolder van de BID/KL.


Sluit dit venster.